Ga direct naar inhoud

Marie-Louise Meuris

Winnaar in 2014 met De Nieuwe Ooster in Amsterdam

Marie-Louise Meuris, 2017. Foto Marijn Scheeres

Marie-Louise Meuris, 2017

Opdrachtgeverschap is je gevoel volgen

Marie-Louise Meuris, voorheen directeur van begraafplaats en crematorium De Nieuwe Ooster te Amsterdam, won de Gouden Piramide vier dagen voor ze met pensioen ging. Meer nog dan als zeer welkome waardering voor haar werk, zag ze hierin een bevestiging dat alle stappen die ze tot dan toe vooral intuïtief had genomen de juiste zijn geweest. Alle jaren dat ze bezig was met de ontwikkeling van de begraafplaats, deed ze dat op haar gevoel. De keuze voor de ontwerpers, de mate van inspraak van de medewerkers, maar ook: bepalen wanneer het tijd werd voor welke volgende stap. Nog bijzonderder is misschien dat ze het geen enkel probleem vond om van richting te veranderen als dat beter voelde. ‘Toen landschapsarchitecte Sylvia Karres tegen me zei dat ik helemaal verkeerd bezig was, zag ik dat ze gelijk had, en heb ik het roer radicaal omgegooid.’

Voor Meuris begint het verhaal al ver voor haar aanstelling bij De Nieuwe Ooster. ‘Ik kom uit een groot gezin uit Limburg en ik mocht als meisje niet studeren. Dat vond ik heel erg. Ik werd secretaresse en, na een avondstudie, personeelsadviseur van begraafplaats en crematorium Westergaarde in het Amsterdamse stadsdeel Osdorp. Dit soort werk kun je alleen doen met een bepaalde religieuze of filosofische instelling. Ergens moet het werk je persoonlijk raken, anders kan je dat niet doen.’ Haar vader leerde haar kijken naar het kleine verhaal achter elk mens in het dorp, haar moeder leerde haar dat alle religies in essentie dezelfde waarheid verkondigen.

En toen werd ze getipt over een vacature bij De Nieuwe Ooster. ‘Het was ergens in mei, en ik liep langs de berm en ik rook het fluitenkruid, ik voelde de geest van die plek, en ik wist meteen: dit is mijn plek, hier moet ik zijn. Alles wat ik daarvoor had geleerd van mijn ouders, in mijn eerdere banen, alles kwam samen. Het was een vorm van thuiskomen.’ Ze wist vanzelfsprekend nog niet dat ze er ook zou gaan bouwen, maar ook dat ging min of meer vanzelf. Terwijl Meuris nog volop bezig was met het interne bedrijfsplan (‘Ik wilde eerst dat de mensen zich goed zouden voelen, dan werken ze prettiger’), kwam de directeurswoning bij de entree beschikbaar. Zelf wilde ze er niet wonen, maar met het uitvaartmuseum diende zich een passende bestemming aan. Toen er een uitbreiding nodig bleek bij het bestaande pand, was er al snel een architect. Steeds weer volgden kleine, praktische aanpassingen elkaar op. De nadruk van haar werk ligt immers op de zorg voor de nabestaanden, op het creëren van een prettige omgeving, en altijd is er net te weinig geld.

Opschonen

Langzamerhand realiseerde Meuris zich dat al die ad-hocbeslissingen de totale kwaliteit van de begraafplaats ondermijnden. Via een prijsvraag in 2003 werd Karres en Brands geselecteerd om een inrichtingsplan voor het terrein te maken. Maar toen er in 2010 een nieuwe technische voorziening voor het crematorium nodig was (vanwege nieuwe Europese richtlijnen), wilde ze dat oplossen binnen de gegeven situatie. ‘Toen heeft Sylvia Karres ingegrepen. Ze zei letterlijk dat ik het hele gebied zou verpesten als er geen totaalvisie kwam. Ze zei: verdiep je eens in het werk van architect Hubert-Jan Henket. Dus hij kwam langs met een plan, en intuïtief wist ik dat ze allebei gelijk hadden. In zijn visie is het voorterrein bedoeld voor directe dienstverlening voor nabestaanden. Dus: alle rommel eraf en weg, opschonen, monumentale gebouwen van Weisman en Leupen herstellen, eenheid aanbrengen.’

Dat had wel twee aanzienlijke keerzijden. Het budget moest omhoog van 5 naar 9 miljoen euro. En de nieuwe uitbreiding met een derde koffiekamer, die net af was, moest weer ongedaan gemaakt worden. ‘Dat was een moeilijke boodschap om over te brengen aan het stadsdeelbestuur. Maar soms moet je inzien dat je een verkeerde beslissing hebt genomen, en dat het beter is om die terug te draaien, dan voort te gaan op de verkeerde weg.’ Destijds is er veel gemopperd. Niet in de laatste plaats door het personeel zelf, dat al die verbouwingen en containers op het terrein wel zat begon te worden. Inmiddels zijn zij, en velen met hun, het erover eens dat zonder de masterplannen van Bierman Henket Architecten en Karres+Brands Landschapsarchitecten veel andere verbeteringen niet mogelijk waren geweest, dat het een investering in de toekomst is geweest.

Persoonlijke overtuiging

‘Weet je’, zegt Meuris, ‘iedereen werkt hier vanuit een persoonlijke overtuiging. Iedereen helpt mee met het prettig maken van de begraafplaats. Dus als er iets ontbrak of er moest iets aan de muur komen te hangen, dan namen de mensen dat bij wijze van spreken van thuis mee. Maar ik vind: als je beheerder bent van openbare gebouwen, dan ben je verplicht om in die openbare gebouwen iets te doen wat de kwaliteit van die gebouwen omhoog tilt. Dan moet je niet zelf gaan knutselen. Ontwerpers kunnen dat veel beter. Sfeer wordt ook bepaald door de aandacht die gegeven is. Dat voel je, ook als je verdriet hebt. De keuze voor kwaliteit betaalt zich terug in welbevinden en dat is ook een vorm van troost voor de nabestaanden.’

Dat allemaal gezegd hebbende, wil ze de mensen achter de Gouden Piramide ook iets meegeven. ‘Die prijs is veel te onbekend! Buiten architecten kent niemand hem, terwijl veel opdrachtgevers, zoals gemeenten, vaak worstelen met dezelfde problemen. Waarom is er geen pool van supervisoren van winnaars, waarom geen do’s en don’ts? En waarom winnen sommigen wel en anderen niet? Zelf denk ik dat langlopende betrokkenheid heel belangrijk is. En ben ik de enige die zo intuïtief werkt, of herkennen anderen dat ook?’