Ira Koers studeerde Architectuur en Interieur aan de Gerrit Rietveld Academie. Ze maakte in 2010 deel uit van de jury van de Gouden Piramide en trof daarin Martien de Vletter, Jaap van Rijs, Thijs Asselbergs, Gert Middelkoop, Dieuwke van Ooij en Willem Smink. Voorzitter was Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol, secretaris Ton Idsinga.
Winnaar van de prijs: Dr Schaepmanstichting/basisschool St Plechelmusschool en gemeente Hengelo, met de genoemde basisschool die in een kerkgebouw werd gerealiseerd. Nominaties dat jaar (voor het thema ‘Architectuur’): TU Delft/faculteit Bouwkunde met BK City, Stichting Hermitage aan de Amstel met Museum Hermitage Amsterdam, Stichting Ronald McDonald Centre met het gelijknamige centrum in Amsterdam en Deventer Ziekenhuis met Jozef Gezondheidscentrum. De jury beoordeelde 97 (!) opdrachtgevers, waaronder de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (conservatorium), Stichting DUWO (studentenhuisvesting Delft), Cobraspen Beheer (Suikersilo’s Sugar City) en Vesteda Project (woontoren New Orleans, Kop van Zuid Rotterdam).
De jury, v.l.n.r. Ton Idsinga (secretaris), Martien de Vletter, Jaap van Rijs, Thijs Asselbergs, Gert Middelkoop, Dieuwke van Ooij, Ira Koers, Willem Smink en Liesbeth van der Pol (voorzitter)
'Buitenstaander' belangrijk in jury
’We hadden in 2010 een grote jury maar ook veel inzendingen, een kleine 100 als ik me goed herinner. De jurering begon bij mij in buurt aan de overkant van het IJ. In een grote hal van loods 6 op het KNSM-eiland waren de inzendingen voor ons uitgestald. Daarna reden we langs de nominaties en de discussies in de bus waren best pittig. Het lastige punt daarbij is natuurlijk – althans in relatie tot een aantal van de andere leden van de jury – dat je ook collega’s bent. Je kent elkaar in ieder geval uit het vakgebied. Daarom is het goed dat een ‘buitenstaander’ uit een beschouwende beroepsgroep meekijkt en -discussieert. In dit geval was dat Dieuwke van Ooij van Nieuwsuur; haar blik als onderzoeksjournalist en duider vond ik superinteressant en wekte mijn interesse in de media.
Transformatie
De inzendingen waren zeer divers. Van het woningbouwrenovatieproject Dudokhaken in Amsterdam Nieuw-West tot enkele indrukwekkende transformatiegebouwen, met een publieke invalshoek. Zoals Bouwkunde City in Delft en de Hermitage in Amsterdam. Gebouwen die verder gaan dan de directe betekenis voor de gebruikers, ik vond dat belangrijk. Veel bestaande gebouwen werden ingediend; nu vinden we dat vanzelfsprekend maar dat was het destijds niet. Daar waren we als jury best wel voorlijk mee, om te wijzen op gebouwen die echt een heel andere functie kregen. Maar het was ook het jaar van Vacant NL in Venetië waarbij alle leegstaande gebouwen in Nederland door RAAAF in kaart waren gebracht. Het hing in de lucht.
Kiezen voor behoud
Het was crisistijd en je zag dat disciplines over de grenzen heen keken van het eigen vakgebied. Als interieurarchitect was ik er eerlijk gezegd wel beducht voor: wat gaan architecten met het interieur van die bestaande gebouwen doen? Kijk bijvoorbeeld naar de winnaar, een geweldige transformatie op zich – van kerk naar school. Maar als interieuropgave is het niet eens zo heel best gelukt, het is een doos in een kerk. Weliswaar met vrolijke kleuren met kinderen, maar de herbestemming is hier bijzonderder dan het ontwerp. De kunst van de opdrachtgever zit in de keuze voor het behoud van de kerk, in plaats van nieuwbouw.
Geven en nemen
Het was leerzaam voor mij om me te verdiepen in de rol van de opdrachtgever. Dat je je bewust wordt dat er een relatie is waarin het niet alleen gaat om vraag-antwoord maar dat je ook echt met elkaar een chemie moet hebben. En andersom ook: als je in het begin die klik niet hebt, dan weet je gewoon dat het heel moeilijk kan worden. Die kennis heb ik er aan over gehouden en we hebben daarna ook echt wel projecten gecanceld omdat we ontdekten: we zitten er niet met dezelfde energie in. Als je zelf veel geeft en de ander alleen neemt, dan wordt het niks. In die tijd deden we zelf veel werk voor de Universiteit van Amsterdam en dat besef werkte voor ons als een verlichtend inzicht: we kunnen heel goed met deze mensen en daarom lukken dingen juist wél. Daar wordt niet vaak bij stilgestaan en het is goed dat de Gouden Piramide daar de aandacht op vestigt. Volhouden is zeker een belangrijke eigenschap; de winnaars in Hengelo hebben ongelooflijk lang geploeterd om überhaupt die school in die kerk te kunnen krijgen.
Toekomst voor psychiatrische ziekenhuisterreinen
De opgaven voor Nederland in de toekomst? Dat is persoonlijk voor mij; ik doe onderzoek naar de psychiatrische ziekenhuisterreinen in ons land. Ik heb ze allemaal in kaart gebracht, het zijn er 36, om te kijken wat ervan geworden is – ook van de mensen die daar woonden. Tweederde is inmiddels ontmanteld, de gevolgen wil ik laten zien maar ook hoe je deze terreinen op een andere manier kan inzetten. Het terrein bij mijn mantelzorgdorp Wolfheze, onderwerp ik aan een nadere analyse; het is nog in gebruik maar de eigenaar heeft wel al plannen gemaakt om het grotendeels te ontmantelen. Het zijn vaak prachtige buitenplaatsen, waar met een sloophamer doorheen gegaan wordt. Niet alleen fysiek maar ook sociaal: vaak grenzen deze terreinen aan een zorgdorp, waardoor de bewoners daarvan ook heel erg gewend zijn aan ‘de ander’. Dat heb je in de stad veel minder, waar de bewoners van die terreinen dan terechtkomen in een drukke en meer anonieme omgeving. Terwijl juist zij belang hebben bij een veilige, groene en stabiele plek. Dat frustreert enorm, niet alleen de mensen zelf maar ook hun familie en omwonenden. We zijn in een fase beland waarin gezegd wordt: iedereen is normaal en iedereen moet mee kunnen doen, maar dat lukt gewoon niet iedereen. Ik denk dat de grote druk op de woningvoorraad ook sterk samenhangt met allerlei publieke voorzieningen die aan het verdwijnen zijn, denk aan de ouderenzorg en de psychiatrische woonzorgvormen. Dat is wel iets om ons zorgen over te maken, we moeten hier iets mee.
Het ziekenhuisterrein in Wolfheze is een prachtige groene plek, grenzend aan Natura2000-gebied en daar moeten 400 woningen komen – een aanpak die je ook op de andere terreinen ziet. Dat lijkt interessant vanuit het perspectief van de woningzoekenden, maar je moet niet vergeten dat de mensen die daar ooit woonden, ook een plek weer hebben gekregen elders – vaak in een stedelijke context. Zij zijn verdreven feitelijk uit hun groene enclave. Dat is niet rechtvaardig. Ik maak zonder formele opdrachtgever nu een schaduwplan voor Wolfheze; mijn opdrachtgever is het terrein zelf en de mensen die daar nu wonen en werken. En de natuur, want ook naar dat belang dat niet voor zichzelf opkomt, moeten we luisteren.’
