Architectuurhistoricus Marinke Steenhuis nam in 2014 deel aan de jury van de Gouden Piramide en trof daarin als medejuryleden Christiaan Weijts, Paula Verhoeven, Eric Frijters en Birgitte de Maar. Voorzitter was Rijksbouwmeester Frits van Dongen en secretaris Olof Koekebakker.

De jury, v.l.n.r. Christiaan Weijts, Marinke Steenhuis, Olof Koekebakker (secretaris), Frits van Dongen (voorzitter), Paula Verhoeven, Eric Frijters, Birgitte de Maar.

Dat jaar was 'architectuur' het thema en Begraafplaats en crematorium De Nieuwe Ooster won, met een transformatie van het gelijknamige terrein in Amsterdam. De runner-ups dit jaar: Van Bekkum Groep en Edwin Oostmeijer Projectontwikkeling (de laatste won in 2007 al eerder, met project Bolwerk/Utrecht) met woongebouw Ithaka in Almere, MIET Recreartpark met MIET Air in Beers, Stichting Woonbron met Superkubus in Rotterdam en Stichting IJssellandschap met Natuurderij Keizersrande in Diepenveen. 83 opdrachtgevers met hun projecten passeerden dat jaar de revue, van Filmmuseum EYE in Amsterdam en Landgoed en Villa Kogelhof in Kamperland tot en met Stadsbrug De Oversteek in Nijmegen en TivoliVredenburg in Utrecht.

Stevig pleidooi

‘Op het moment dat ik in de jury zat, was ik voorzitter van de Welstands- en Monumentencommissie in Rotterdam. Dus ik keek heel erg met dat oog naar de inzendingen en vooral naar hun opdrachtgevers, die ik dan ook weer elke twee weken aan tafel had in Rotterdam. Maar ik keek natuurlijk ook vanuit mijn vak naar de plekken en hoe men met de context om was gegaan. Ik was enorm blij met de winnaar maar weet dat ik een stevig pleidooi heb gehouden voor de natuurboerderij in de uiterwaarden van de IJssel. Het lef van Rijkswaterstaat, om te laten bouwen op een locatie die veiligheidstechnisch niet ideaal was. Een thema dat onverminderd actueel is. En dat gold ook voor het creatief omgaan met bestaande gebouwen. Ik maakte op dat moment ook deel uit van het Nationale Herbestemmingsteam en we waren bijvoorbeeld bezig met thema’s als flexibele bestemmingsplannen. Het was nog volop crisis, met een schaarste aan middelen, dan word je wel inventief. Men was toen ook meer gericht op: hoe doen we het samen?

Verschillende belangen

In de elf jaar die volgden, heeft ons bureau zich verder ontwikkeld in het slaan van bruggen tussen de geschiedenis van de plek – materieel en immaterieel – en het ontwerp. We spreken de taal van de ontwikkelaar, die van de ontwerper en die van de erfgoedsector en daar laveren wij als tolk-vertaler tussendoor. Ons vak, gecombineerd met een systemische blik, kan een bemiddelende rol spelen, dat merk ik momenteel heel sterk bij een aantal projecten in het land waarbij een grote spanning bestaat tussen verschillende belangen. Het begrip “eigenheid” komt dan om de hoek kijken. Dan gaat het er niet alleen om hoe een gebied er fysiek uitziet, maar ook: hoe gaan de mensen hier met elkaar om? Als je daarop aanhaakt in je processen, kom je veel sneller vooruit – in plaats van dat je drie keer per jaar een nieuwe projectleider stuurt. Die weer helemaal opnieuw moet beginnen en niet begrijpt waarom het in Twente er op een bepaalde manier toegaat en in Groningen net even anders. Mijn vak vul ik daarin aan met een meer antropologische en systemische bril, waarbij ik zoek naar de waarden en overtuigingen in de lokale gemeenschap.

Ik ben bijvoorbeeld betrokken bij een opgave in het Soerens Beekdal, op de Veluwezoom. Daar zitten duizend stuks vee ingeklemd tussen drie Natura2000-gebieden. Er stromen beken doorheen en Natuurmonumenten heeft er onlangs 40 ha onder water gezet. Ook het waterschap is daar nauw bij betrokken. Allerlei verschillende opdrachtgevers komen dan bij elkaar. Ik ga zo’n gebied analyseren, ga de boeren, dorpelingen, overheden en natuurorganisaties spreken en presenteer mijn analyse van landschap en mensen – in dit geval in de kerk van Spankeren uit de 11de eeuw waar de boeren al eeuwenlang vergaderen – en schrijf een advies over hoe om te gaan met de opgave. Dat advies en de inhoud van de lezing heb ik in besloten kring dan al voorgelegd aan mijn gesprekspartners: ik vraag hun toestemming om het te vertellen. Is dit jullie verhaal, mag ik het delen?

Neem mensen mee

Het is een gebiedsgerichte aanpak waarin ik heel precies kijk naar hoe onder meer de eigendoms- en machtsverhoudingen zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld. Ik neem de mensen mee in hoe in dit geval landbouw en natuur als twee mammoettankers een onderlinge race varen en elkaar ook af en toe inhalen. Ik zie dan vaak een soort ontspanning, een herkenning door de zaal gaan: boeren die zien dat ze deel uitmaken van een groter krachtenveld, dat al veel langer bestaat. Maar ik zie ook de natuurpartijen die meer begrip krijgen voor de landbouw. Daarmee los ik het project in drie, vier maanden niet op, maar ik leg wel een bedding voor het vervolg – ik noem dat ‘stap nul’. Er wordt in situaties als deze vaak over ‘weerstand’ gesproken maar dat kun je net zo goed duiden als een trouw aan iets anders: aan de dorpsgemeenschap, aan de voorouders. Als je verandering wil in een gebied, zul je daar bij moeten aansluiten. Ik heb nu zeven van dit soort projecten mogen doen en ik merk dat ik echt betekenis kan hebben. In dit geval waren gemeente en provincie mijn opdrachtgever, maar ik begin nooit zonder te solliciteren bij de boeren zelf. Ik tast dan af of er behoefte is aan mijn aanpak, of men zelf ervaart dat het landschap en de gemeenschap op spanning staan.

Er komen zaken in beweging, zoals in Haarle, Salland waar ik heb geadviseerd om de verenigde agrariërs de middelen, de advieskracht en de regie te geven om zelf aan de slag te gaan. Dat doen ze namelijk al eeuwen vanuit de marke-organisatie. Gedeputeerde Maurits von Martels (BBB) heeft dat staande de vergadering toegezegd, en nu loopt in Haarle een traject van vrijwillige kavelruil. Partijen komen uit de loopgraven, het gaat veel minder over de tegenstellingen. Waarbij ik er overigens wel voor waak om te snel met ontwerpers in het gebied aan de slag te gaan. De mensen in het gebied denken dan soms: wat is dat nu weer voor een adviseur die even snel een tekening komt maken, over mijn grondgebied heen. Vaak zijn ze daar nog helemaal niet klaar voor.

Werken aan een community

Ik probeer veel meer eerst de kracht van het gebied te achterhalen; waar zitten de rituelen, de gewoontes, hoe doen ze de dingen met elkaar? De mensen moeten eerst met elkaar onderkennen: wie zijn we als groep, en welke koers hoort daarbij ? Voor mensen in de stad klinkt dat vaak heel abstract, maar in een wijk of buurt heb je net zo goed dit soort ecosystemen. Dat is dus helemaal niet soft; het is eigenlijk de kern van waar het om gaat. Dat er een community ontstaat die vervolgens ook verder gaat met het proces. Overheden – die toch wel op een heel grote afstand zijn komen te staan – zullen zich moeten bezinnen hoe ze daarop kunnen inspelen. Gemeente, provincies en zeker ook waterschappen. Ik merk dat er een momentum ontstaat en de belangstelling ook daar groeit voor een gebiedseigen aanpak. Dus dat geeft hoop in een tijd waarin – laten we wel wezen – de mensheid hard bezig is zichzelf op te heffen.’

Voordracht 2026

‘Het opdrachtgeverschap van de Noaboerschap Haarle, een vereniging van agrariërs in een agrarische gemeenschap aan de voet van de Sallandse Heuvelrug. En dan in het bijzonder secretaris en boerin Ida Besten. Zij was het die me benaderde met de vraag of ik mijn gebiedsgerichte analyse in hun gebied wilden gaan doen. Naast het gebiedseigen spoor coördineerde het bestuur van de Noaboerschap het spoor van de data-analyse (uitstoot, opbrengst) en het landbouwkundige spoor (toekomstperspectief). De gezamenlijke uitkomsten zorgden voor een bedding, feitenanalyse en taal om het gesprek over de toekomst van het gebied te kunnen voeren. Het is heel bijzonder dat het provinciaal bestuur op haar beurt de regie durfde af te staan aan de Noaboerschap Haarle. In het lopende proces van de vrijwillige kavelruil staan de boeren zelf aan het stuur. Dat is geen eenvoudige opgave met veel stoppende boeren, de druk van nieuwe teelten en recreatiewoningen, maar gaat in kleine stapjes. De aanpak van de Noaboerschap Haarle om hun agrarisch gebied zélf een nieuwe, duurzamere toekomst te geven is uniek in Nederland en laat zien waar verbondenheid en wederkerigheid met de lokale gemeenschap toe kan leiden.’